Geschiedenis van de abdij van Ter Doest

Vroege oorsprong

In 1106 schonk Lambert van Lissewege door bemiddeling van de bisschop van Doornik een domein met de Sint-Bartholomeuskapel in Lissewege aan de benedictijnen van Saint-Riquier (nabij Abbeville). De stichting was geen succes. Een echte kloostergemeenschap of priorij kwam niet van de grond. De bisschop droeg ze daarop in 1174-1175 over aan de cisterciënzers van Ten Duinen in Koksijde.

Dochterabdij van Ten Duinen

Vanuit Ten Duinen werden 12 monniken en 3 lekenbroeders naar Lissewege gestuurd om er een cisterciënzerabdij te grondvesten. Ze stond onder de leiding van Desiderius Haket (1175-1179), gewezen deken van Sint-Donaas in Brugge, die zelf slechts enkele jaren eerder in Ten Duinen was ingetreden. De nieuwe abdij Ter Doest of Thosan, vaak ook gewoon Capella, was de enige dochterabdij van Ten Duinen.

Eerste bezittingen

Ter Doest kreeg een startkapitaal mee, waaronder ook verafgelegen bezit in Zeeland/Zuid-Holland. Zoals Ten Duinen ontwikkelde ze al snel handelsrelaties met Engeland en Holland, maar ook met het Noorden. Enkele Scandinavische prelaten verbleven in Ter Doest en zijn er overleden. Culturele contacten waren er o.m. met het Brugse Sint-Donaaskapittel, dat mee de bibliotheek hielp uitbouwen.

Bloeiperiode in de 13de eeuw

Zoals haar moederabdij kende Ter Doest een stevige groei in de 13de eeuw. Het grondbezit steeg tot minstens 4000 ha, minder dan de helft van Ten Duinen, vooral in de Brugse regio en in Zeeland en de Vier Ambachten. Daar was de abdij actief bij de strijd tegen het water, met name in het Hulsterambacht en het Land van Saeftinge. Ter Doest was trouwens ook betrokken in de waterhuishouding van de regio bij de abdij en speelde een belangrijke rol in lokale wateringen. Daardoor nam de abt regelmatig een vooraanstaande rol in de Brugse regio op.

In de loop van de 13de eeuw kocht Ter Doest van de Vlaamse graven het grote bos- en heidegebied Burkel in Maldegem, dat de abdij van hout moest voorzien. De abten Jan Smedekin, Niklaas Cleywaert, Jan Servaes en Willem de Hemme (1253-1285) bouwden het kloostercomplex in Lissewege verder uit. Daarbij kwam omstreeks 1280 een monumentale schuur, die bijna ongewijzigd bewaard is, al is de dakconstructie wel 14de-eeuws. Een eeuw later bouwde Willem de Smidt (1363-1385) een aparte abtswoning.

De gemeenschap telde maximaal een 120-tal leden, monniken en lekenbroeders samen. De koormonniken lieten zich vooral in met gebed, liturgie en studie, en waren op de uithoven actief. De lekenbroeders waren doorgaans minder geschoold en werden door hun uiteenlopende vaardigheden als bekwame werkkrachten ingezet, o.m. op de domeinen of in het scriptorium.

Conflicten en economisch onheil ca. 1301-1350

In het Frans-Vlaamse conflict omstreeks 1300 was Ter Doest (noodgedwongen?) de grafelijke dynastie genegen. Lekenbroeder Willem van Saeftinge vocht zelfs mee tegen de Fransen in de Slag der Gulden Sporen (1302). Later was hij betrokken bij troebelen die het leven kostten aan de econoom van de abdij en die de abt verwondden. Aanleiding was de trend om het bezit voortaan meer te verpachten dan het (met lekenbroeders) in direct beheer te houden.

In die vroege 14de eeuw beleefde de abdij moeilijke jaren. Het financieel beheer diende o.m. door de verpachting van de domeinen en de verkoop van Hollandse bezittingen gesaneerd te worden. Het aantal monniken werd beperkt tot een vijftigtal, het aantal lekenbroeders tot iets minder.

Heropleving ca. 1351-1500

Tekenen van de heropleving zien we bij diverse abten: Michiel de Smidt (1364-1372) schreef filosofische teksten, opvolgers Jan van Hulst (1385-1417) en Jacob Schaep (1426-1461) onderhielden goede relaties met het Bourgondische hof. Tijdens het Westers Schisma werden de pontificalia (bisschoppelijke waardigheidstekens als de mijter) bekomen. Hendrik Keddekin (1478-1491) blijft bekend dankzij zijn sterke bibliofilie interesse voor luxehandschriften én voor de nieuwe gedrukte boeken. In de vroege 16de eeuw werd aan de Potterierei in Brugge de refuge of het toevluchtsoord van Ter Doest uitgebouwd. Die zou later de basis vormen voor de Brugse Duinenabdij.

Neergang in de 16de eeuw

De 16de eeuw bracht vooral veel problemen. Herhaalde overstromingen van de Zeeuwse bezittingen vergden zware financiële en logistieke inspanningen om de domeinen te herwinnen en uit te baten, maar die waren niet altijd succesvol. De groeiende religieuze onvrede tussen katholieken en protestanten leidde tot spanningen. Toen Vincent Doens in 1559 abt werd, telde de gemeenschap nog slechts een twintigtal monniken. Hij overleed in 1569 en werd niet meer vervangen, want de abdij was in 1561 door de paus toegewezen aan de bisschop van het nieuw ingerichte bisdom Brugge. Een cisterciënzerprior zou de leiding ter plaatse voeren. Onderhandelingen om Ter Doest over te dragen aan Ten Duinen, bleven vruchteloos.

De abdij kwam gehavend uit de religieuze troebelen. Opstandige streekbewoners staken de abdij in 1571 in brand. Een door de Staten-Generaal aangestelde abt moest in zijn korte bewind bezit verkopen om de schuldenlast te delgen. Na de katholieke herovering van de regio in 1584 kregen de bisschoppen opnieuw het bewind in handen, een monnik-administrator moest proberen de financiële problemen op te lossen.

Ter Doest overgedragen aan Ten Duinen in de 17de eeuw

De abdij ontving door toedoen van de bisschoppen geen novicen meer en stierf stilaan uit. Uiteindelijk droeg bisschop Petrus Stoffels (1623-1629) in 1624 de goederen van Ter Doest tegen een aanzienlijk jaargeld over aan Ten Duinen: de hoeven, landerijen en het bouwpatrimonium, de kunstwerken, het archief en de bibliotheek… De twee laatste monniken van Ter Doest gaven hun fiat, kort voor ze beiden overleden.

Door de overdracht werden de bezittingen van Ter Doest verenigd met die van Ten Duinen. Die nam het grondbezit en het gebouwenpatrimonium over, waaronder de refuge in Brugge die vanaf 1628 tot nieuwe Duinenabdij uitgebouwd werd. De omvangrijke landerijen in Zeeland gingen evenwel – zoals die van Ten Duinen – in 1648 verloren aan de Oranjedynastie. De kunstwerken, de handschriften, het archief… werden samengebracht met die van de Duinenabdij.

De abdijsite in Lissewege

De oude abdijgebouwen te Lissewege werden ontmanteld, deels om de nieuwe Duinenabdij in Brugge neer te zetten. Van de verloren gegane gebouwen bestaan nauwelijks afbeeldingen. Vanaf 1651 werd onder abt Bernard Bottyn (1648-1653) op de site een hoeve opgetrokken, met poortgebouw en duiventoren. Daar verbleef een monnik als bewindvoerder. In 1687 liet abt Martinus Collé (1678-1698) een barokke kapel bouwen aan de toegangsdreef. Dat was een dankbetoon voor de overwinning op een tegenabt die door de Fransen in het door hen geïncorporeerde Westkwartier was gesteund.

De monniken van Ten Duinen bleven de site van Ter Doest bezoeken, ook nadat de Duinenabdij door de Fransen in 1796 was afgeschaft en de bezittingen waren genationaliseerd en verkocht. De gewezen monniken slaagden er immers in het oude domein van Ter Doest in Lissewege terug te kopen. Bij de dood van de laatste Duinheer, Niklaas de Roover, werd dat bezit in 1833 nagelaten aan de eerste bisschop van het bisdom Brugge dat opnieuw werd ingericht. In 1870 werd Ter Doest dan overgedragen aan de kathedrale kerkfabriek van Sint-Salvator Brugge. Het domein bleef een pachthoeve tot na de Tweede Wereldoorlog.

Van het oude patrimonium resten ter plaatse de monumentale 13de-eeuwse schuur met 14de-eeuwse bekapping, de 17de-eeuwse hoevegebouwen die als horecazaak uitgebaat worden, en de barokke kapel aan de toegangsdreef.

Auteur: Jan Van Acker (Abdijmuseum Ten Duinen)

Deze tekst citeren (APA)?

Jan Van Acker. (2021). Geschiedenis van de Abdij Ter Doest. Geraadpleegd op [https://mmmonk.be/geschiedenis-van-de-abdij-van-ter-doest]

 

De abdijschuur van Ter Doest. Foto door Paul Hermans op Wikimedia Commons. Zie ook de beschrijving van de abdijsite in de Inventaris Onroerend Erfgoed.

Inschrijven op nieuwsbrief