Geschiedenis van de Abdij van Ten Duinen

Ontstaan van de cisterciënzerorde

Rond het jaar 1100 zagen diverse monastieke hervormingsbewegingen het licht. Een hiervan was de cisterciënzerorde. Deze orde ontstond in Cîteaux (bij Dijon in Frankrijk) als een strengere terugkeer naar de Regel van Benedictus. De orde was bijzonder succesrijk door het energieke optreden van Bernardus, abt van Clairvaux. Ze groeide explosief via eigen stichtingen en de opname van bestaande abdijen. Een hiervan was Ten Duinen in Koksijde.

Van kluizenaarsgemeenschap naar benedictijnergemeenschap

Zoals meer abdijen uit die tijd is Ten Duinen ontstaan uit een gemeenschap die gegroeid was rond een kluizenaar, in dit geval Ligerius. Omstreeks 1107 vestigde Ligerius zich in de onherbergzame duinen nabij Veurne. Enkele jaren later ontvluchtte een zekere Desiderius het graafschap Vlaanderen wegens onbekende redenen. De Vlaamse clericus werd monnik in de abdij van Fontmorigny (nabij Nevers in Frankrijk) en vertelde er over de kluizenaar Ligerius en diens kompanen. Na de moord op graaf Karel de Goede in 1127 keerde Desiderius terug naar Vlaanderen. Kort nadien werd hij echter vermoord in onduidelijke omstandigheden. Daarop besliste de abt van Fontmorigny, geprikkeld door al die verhalen, enkele monniken onder de leiding van Fulco naar Ligerius te sturen. Zij vormden de kluizenaarsgemeenschap rond Ligerius om tot een Benedictijnerstichting met Fulco als eerste abt. De nieuwbakken stichting kreeg van de graven Willem Clito en Diederik van de Elzas enkele grote schenkingen, waaronder het duingebied waaraan ze haar naam dankt. Ligerius zelf zou in 1128 zijn gestorven en maakte de grote hervorming tot cisterciënzerabdij dus niet meer mee.

Van benedictijnergemeenschap naar cisterciënzerabdij

Fulco was ook betrokken bij de stichting van de abdij van Clairmarais (bij Saint-Omer in Frankrijk). Na een ontmoeting met Bernardus van Clairvaux droeg Fulco in 1138 beide instellingen aan hem op. Daarop stuurde Clairvaux Robrecht van Brugge als eerste cisterciënzer abt naar Ten Duinen. Toen Robrecht in 1153 terugkeerde naar Clairvaux als opvolger van Bernardus, werd hij in Koksijde kort vervangen door Albero. Daarna werd in 1155 Idesbald (gest. 1167) als eerste uit de lokale gemeenschap tot derde abt van Ten Duinen verkozen.

Kloostergebouwen in baksteen

De abdij kende een bescheiden begin: een houten gebouw, geschonken door het kapittel van Veurne. Maar al in de twaalfde eeuw groeide dit uit tot een groot abdijcomplex in natuursteen. Vanaf de 13de eeuw werd dit uitgebreid en vernieuwd in gotische stijl. De abdij deed dit met baksteen, als een van de eerste grootschalige producenten en gebruikers van baksteen in Vlaanderen.

Economische voorspoed in de 12de eeuw

Deze uitbreidingen waren mogelijk door de enorme groei van de bezittingen en van de gemeenschap. Schenkingen, aankoop en ruil lieten toe grote uithoven of abdijhoeves uit te bouwen, met de grootste bij Duinkerke. Al in de 12de eeuw had Ten Duinen handelscontacten en eigendommen in Engeland en bezat ze een eigen vloot. Kort voor de eeuwwisseling werd de aanzet gegeven voor bezittingen in Zeeland en de Vier Ambachten. Daar realiseerde de abdij onder meer door droogleggingen grote aanwinsten, zodat die regio haar economische zwaartepunt werd. Een eeuw later was het totale bezit aangegroeid tot ca. 10000 ha met tal van grote uithoven en kleinere hoevedomeinen. Niklaas van Belle (1232/3-1253) zette er op diverse grote landbouwcentra een imposante bakstenen schuur.

Hoogtepunt

Haar maximale omvang bereikte de abdij midden 13de eeuw, met zo’n 370 leden: 1/3 koormonniken die zich vooral inlieten met gebed, liturgie en studie, maar ook op de uithoven actief waren, en 2/3 lekenbroeders, die doorgaans minder geschoold waren, maar door hun uiteenlopende vaardigheden als bekwame werkkrachten werden ingezet. Daarmee behoorde de Duinenabdij tot de monastieke top van Vlaanderen en bleef ze ook buiten de landsgrenzen niet onopgemerkt.

Overstromingen en religieuze troebelen

Maar halfweg de 13de eeuw kreeg de abdij te kampen met overstromingen die het bezit in Zeeland en bij Hulst (Zande) bedreigden. Toen de abdij in het Frans-Vlaamse conflict omstreeks 1300 de Franse kaart trok, zorgde dit voor een breuk met de Vlaamse graven en voor economische problemen. De Engelse bezittingen werden verkocht en de schuldenlast werd afgebouwd toen de relaties met de vorsten herstelden. Lambrecht Uppenbroeck (1317/8-1354) kon opnieuw aanwinsten realiseren en zelfs imposante verbouwingen aan het abdijcomplex uitvoeren. Ook later verwierf Ten Duinen nog domeinen in de Veurnse regio en in Zeeland, maar vooral die laatste werden steeds meer een zorgenkind door de aanhoudende strijd tegen het water.

Economische en politieke ontwikkeling

De abdij kende verder ups-and-downs. Tijdens het Westers Schisma kon Jan Maes (1376-1406) de prestigieuze pontificalia (staf en mijter als een bisschop) bekomen. Maar Pieter vander Marct (1418-1442) kende zulke financiële problemen dat hij de gemeenschap meermaals moest onderbrengen bij andere kloosters. Hij wordt nochtans geroemd omwille van zijn krachtdadig economisch optreden, net zoals Jan Crabbe (1457-1488), die bij zijn aantreden een financiële schuldenlast erfde. Crabbe kon pas abt worden na de dood van een tegenkandidaat van de Bourgondische hertogen. Hij groeide daarna uit tot een invloedrijke raadsheer van de hertogen, met interesse voor het humanisme en een hang naar luxe-manuscripten. De Brugse refuge van de abdij bouwde hij uit tot een vast verblijf voor de abten.

Oprukkende duinen

De 16de-eeuwse abdij kende vele problemen. Zware overstromingen in Zeeland noopten tot herinpolderingen, waarvoor Ten Duinen nauwelijks de middelen kon opbrengen. In Koksijde werd het kloostercomplex, dat veel te groot geworden was voor de weinige monniken, bedreigd door oprukkende duinen. Daardoor keek de abdij uit naar een andere vestigingsplaats, maar dat botste steeds op weerstand van de regionale overheden. Ondanks dit alles hielden abten er een pronkzuchtige cultuur op na.

Beeldenstorm en vlucht uit Koksijde

In augustus 1566 viel de Duinenabdij ten prooi aan de beeldenstormers. Een deel van de kunstwerken, grafmonumenten, gedrukte boeken en handschriften en archief werd gered, maar veel ging verloren. De volgende jaren onderging de abdij de kwalijke gevolgen van het politieke en religieuze strijdtoneel. Omstreeks 1578 verlieten de monniken definitief de oude abdijsite, waarvan de gebouwen gretig werden neergehaald voor bouwmateriaal.

Nieuwe site Ten Bogaerde

Na de verovering van de Veurnse regio voor het katholieke Spaanse gezag kon de abdijgemeenschap zich opnieuw in de Westhoek vestigen, eerst in Nieuwpoort en dan op het uithof Ten Bogaerde in Koksijde. Daar verrees een nieuwe abdij en kende de gemeenschap een religieuze en intellectuele heropstart.

Verering abt Idesbald

De monniken zetten zelf de afbraakwerken van de oude abdij verder. Daarbij ontdekte Bernard Campmans (1623-1642) in 1623 het vermeende graf van abt Idesbald met een ongeschonden lichaam. Dat leidde tot een sterke devotie, al slaagde de abdij er niet in hem zalig of heilig te laten verklaren.

Nieuwe site Brugge

Campmans wist de roerende en de onroerende bezittingen van de voormalige dochterabdij Ter Doest te verwerven. Daarna kon hij in 1627 de Duinengemeenschap overbrengen naar de refuge van Ter Doest in Brugge. Die werd daarop uitgebouwd tot de nieuwe Duinenabdij.

De Duinenabdij kon volop profiteren van de economische heropstanding van de Westhoek, waar de hoeven verpacht werden door een ontvanger op Ten Bogaerde. De Zeeuwse bezittingen gaven meer zorgen: de strijd tegen het water diende verder gezet, maar uiteindelijk gingen de bezittingen verloren toen in 1648 bij vredesonderhandelingen alles aan het Huis van Nassau werd toegewezen. Samen met de Frans-Spaanse oorlogen die vanaf die periode de domeinen in het Westkwartier aantastten, zorgde dit voor economische problemen. De bouwwerken aan de Brugse abdij vielen stil.

Tegenabt gesteund door Frankrijk

De troepen van de Franse Zonnekoning veroverden de Westhoek. Zij gaven steun aan de ontvanger op Ten Bogaerde, Arnold Terrasse, die zich in 1678 tot (tegen-)abt van de ‘echte’ Duinenabdij nabij Veurne liet verkiezen. Vijf jaar later pas kon de abt in Brugge, Martin Collé (1680-1698), zijn gezag herstellen. Maar daarna werden de bezittingen van het Westkwartier nog meermaals geconfisqueerd door de Fransen of verwoest bij de oorlogsverwikkelingen. Pas de Vrede van Utrecht (1713) maakte hieraan een einde.

Voorzichtige heropleving

De 18de eeuw, en vooral de tweede helft ervan, biedt een beeld van behoedzame heropleving. In Brugge kon eindelijk de abdijkerk gerealiseerd worden. Ten Duinen kon de schuldenlast afbouwen en bosgrond ontginnen, wat met de algemene economische opbloei leidde tot materieel welvaren.

Afschaffing en nationalisering van het patrimonium in 1796

Toen de Franse Revolutionairen na 1789 Vlaanderen binnenvielen, telde de gemeenschap nog een 25-tal leden. In 1796 werd de abdij afgeschaft. De bezittingen werden genationaliseerd en op de markt gegooid, waar de gewezen Duinheren slechts een deel konden terugkopen. Een deel van het roerend goed, met name handschriften en schilderijen, belandde bij de stad Brugge, andere wisten de gewezen monniken te behouden. Door elkaar als erfgenaam aan te wijzen, concentreerde dit alles zich uiteindelijk bij de laatste monnik Niklaas De Roover. Na zijn dood in 1833 viel het onroerend goed toe aan het op te richten bisdom Brugge, dat het op zijn beurt schonk aan de kathedrale kerk en het bisschoppelijke Seminarie. Het roerend goed viel toe aan De Roovers nichten, maar F.-R. Boussen, de eerste bisschop, slaagde er in het grootste deel aan te kopen, zoals het belangrijke archief en de resterende handschriften.

De abdijsite in Brugge

De vroegere site van de Duinenabdij aan de Potterierei in Brugge werd aan het Seminarie toegewezen. De gebouwen waren eerder onder meer gebruikt als school en militair ziekenhuis, en de abdijkerk als museum voor geconfisqueerde kunstwerken en als protestantse bidplaats.

Het Grootseminarie Ten Duinen op de voormalige abdijsite is tegenwoordig het diocesane huis voor de opleiding en permanente vorming van de bedienaars van de eredienst: diocesane priesters, permanente diakens en parochieassistenten, naast vele vrijwilligers die er vorming ontvangen. De site herbergt ook de Bibliotheek van het Grootseminarie, met gedrukte werken, en het Archief van het Grootseminarie, dat ook de handgeschreven bibliotheekboeken van Ten Duinen omhelst.

De abdijsite in Koksijde

De abdijsite in Koksijde werd in de loop van de eeuwen helemaal bedolven onder het duinzand. Toch werden steeds bouwmaterialen uit de ruïnes weggehaald. Kort na de Tweede Wereldoorlog zelfs nog voor de restauratie van het Brugse Grootseminarie…

Intussen was er in de 19de eeuw historische interesse gegroeid voor de abdij, en die kreeg een boost na de zaligverklaring van abt Idesbald in 1894. Publicaties over deze abt zagen het licht en eerste proefopgravingen naar zijn abdij werden aangevat. In het Interbellum werd de precieze locatie van de gebouwen in kaart gebracht. Vanaf 1949 startte gericht archeologisch onderzoek, waarbij het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen het voortouw nam. De opgravingen legden meteen de kerk bloot en werden systematisch verder gezet. Al snel werd een museum ingericht dat de belangrijke vondsten combineerde met een natuurwetenschappelijk-natuurhistorisch luik. Voor het beheer ervan werd in 1959 een vzw opgericht. Na jaren van grote publieksaandacht deemsterde het museum wat weg. Omstreeks de eeuwwisseling nam de gemeente Koksijde het geheel over en werd het museum volledig vernieuwd. De focus van het Abdijmuseum Ten Duinen ligt nu op het grotere verhaal van de abdij en haar orde, en met een hernieuwde wetenschappelijke werking.

 

— Deze tekst citeren (APA)?

Jan Van Acker. (2021). Geschiedenis van de Abdij Ten Duinen. Geraadpleegd op [https://mmmonk.be/geschiedenis-van-de-abdij-van-ten-duinen/]

 

Pieter Pourbus, Kaart van de Abdij van Ten Duinen (Groeningemuseum Brugge 0000.GRO1534.I)

Inschrijven op nieuwsbrief